Persknipsels

24 mrt 2014 Persknipsels

Is de burgerlijke partijstelling (on)houdbaar ?
ma 24 maart 2014

RONDETAFEL GESPREK OVER DE BURGERLIJKE PARTIJSTELLING

Bij de opening van het gerechtelijk jaar nodigde de balie van Turnhout professor en advocaat Raf Verstraeten uit als spreker. Die plaatste een paar opmerkelijke kanttekeningen bij de burgerlijke partijstelling (BPS), nochtans een klassieker in het strafprocesrecht. Een prima aanleiding voor Ad Rem om Raf Verstraeten samen te brengen met enkele specialisten. En dat leidde tot een soms verhitte discussie.

Het panel rond de tafel is niet het minste. Mr. Joris Vercraeye, onderzoeksrechter Jacques Poppe, parketmagistraat Annemie Serlippens en uiteraard professor en advocaat Raf Verstraeten. Met zijn toespraak als uitgangspunt serveerde Ad Rem de deelnemers vier thema’s en bijhorende stellingen.

THEMA 1

BELGIË ALS GROTE UITZONDERING STELLING: De Belgische wetgeving is een van de weinige die toelaat dat een slachtoffer de strafprocedure rechtstreeks opstart door zich burgerlijke partij (BP) te stellen. Afhankelijk van de bron wordt op die manier 25 tot zelfs 40 % van de gerechtelijke onderzo eken gestart, terwijl bijna de helft ervan uitmondt in een buitenvervolgingstelling. Bovendien duren de onderzo eken gemiddeld 10 maanden langer en volgt in 20 % van de gevallen een vrijspraak, wat 4 keer meer is dan wanneer het parket het onderzoek initieert. De BPS in België is daarom aan herziening toe.

JORIS VERCRAEYE: “De cijfers kunnen zijn wat ze zijn, maar als advocaat moet ik de belangen van mijn cliënt verdedigen en daarvoor de rechtsmiddelen gebruiken die er zijn. Als het openbaar ministerie geen gevolg wil geven aan een klacht – die ik overigens haast altijd eerst indien bij de procureur des Konings – dan hoef ik me daar niet bij neer te leggen. Ook wanneer ik uit ervaring weet dat ik de bocht kort moet nemen door tijdsgebrek of bepaalde prioriteiten bij het parket, dan kan het gebeuren dat ik de procureur bij wijze van spreken een hakje moet zetten door rechtstreeks naar de onderzoeksrechter te stappen met een klacht met BPS. De onderzoeksrechter moét mijn klacht immers onderzoeken, waardoor ik voor de correctionele raadkamer kom, waar ik wens te staan omdat ik er mijn zaak kan bepleiten. En dat kan ik niet wanneer het openbaar ministerie niet mee wil. Ik ben dus een absoluut voorstander van de BPS, wat niet betekent dat ik per se tegen bepaalde wijzigingen aan het systeem ben.”

RAF VERSTRAETEN : “Computerhacking of bedrijfsinformatie die wordt meegenomen naar de concurrentie zijn typevoorbeelden van zaken die geen prioriteit van het parket krijgen en dat weet je als advocaat. Enerzijds heb je dus bij sommige zaken en seponeringen een BPS nodig om een zaak enigszins te forceren. Maar anderzijds – en daarom besloot ik 30 jaar na mijn proefschrift nog eens over de BPS te reflecteren – merk je dat er dringend een aantal vragen moeten worden gesteld bij de manier waarop de BPS thans verloopt.”

ANNEMIE SERLIPPENS: “De nood aan meer efficiëntie is overduidelijk. Er moet een kostenbatenanalyse worden gemaakt, want in sommige gevallen – ik denk aan erfkwesties – wordt de onderzoeksrechter vandaag als privédetective ingeschakeld. Dat kan de bedoeling niet zijn.”

JACQUES POPPE: “Sta me eerst toe te beklemtonen dat ik hier uit eigen naam spreek; in Gent zijn we met 5 onderzoeksrechters. Nu, wanneer ik naar de cijfers uit mijn eigen kabinet kijk, dan sluiten die over de periode 2009-2013 met 25 à 30 % BPS inderdaad dicht aan bij de eerdere bevindingen van de professor, maar ze bedragen zeker geen 40 %.” “Ik weet ook dat professor Verstraeten samen met enkele collega’s heeft gewerkt aan een analyse rond de BPS en het toekomstperspectief ervan, waar hij het heeft over het oneigenlijk gebruik en misbruik van de BPS, zowel binnen als buiten de strafprocedure. We zien in de praktijk dat veel advocaten klachten met BPS formuleren om een burgerlijke procedure lam te leggen of om bewijs te verzamelen in een burgerrechtelijke procedure. Dat zijn meestal de klachten die strafrechtelijk gekwalificeerd worden als valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken, oplichting of misbruik van vertrouwen en dergelijke meer.

Wat verder ook opvalt in mijn cijfers is dat een belangrijk deel van de BPS wordt ingediend in een lopend gerechtelijk onderzoek waar via de BPS ‘het wagonnetje wordt aangehaakt’ of in zaken die in een opsporingsonderzoek zitten, zoals een zaak met een bende die diefstallen pleegt met geweld of bedreiging en waarbij mensen misschien al wel als benadeelde persoon zijn geregistreerd bij het parket zich dan BP kunnen stellen om meer betrokken te worden in de procedure.” “Ook al lijken sommige remmen op de BPS me zinvol, toch pleit ik sterk voor het behoud ervan. Zeker in zaken van belaging of geweld in het gezin heeft de BPS een belangrijk nut. De sectie jeugd en gezin kan immers wel klachten verzamelen rond gezinsgeweld, maar je kan niet wachten tot de bom barst en het OM kan niet bij het minste tot vervolging overgaan. Met een klacht met BPS kan er wel ingrijpend en snel worden opgetreden. Dat soort zaken komt ook meer en meer voor.”

CONCLUSIE THEMA 1

Terwijl de advocaat uiteraard de middelen gebruikt die hem ter beschikking staan, signaleren de andere actoren duidelijke bedenkingen: de BPS wordt te vaak aangewend (in zaken die eigenlijk louter burgerrechtelijk zijn), wat leidt tot een grote impact op de werklast.

Raf Verstraeten vat samen: “Het debat over de BPS ligt moeilijk en gevoelig. De basis is dat elk slachtoffer ervan overtuigd is dat zijn zaak belangrijk is. Maar tegelijk worden onderzoeksrechters geacht zich bezig te houden met misdrijven waarbij dwangmaatregelen nodig zijn, en beklaagt iedereen zich over de lange behandelingstermijnen.” Daarover is Jacques Poppe duidelijk: “Dat heeft vooral te maken met de prioriteiten bij de politie. Pas aan het einde komt de erfeniszaak, waarvan het onderzoek zeer tijdrovend kan zijn: dààr hebben die 10 maanden mee te maken.”

THEMA 2

INSTROOM BEPERKEN STELLING: Het criterium bij uitstek om de overvloed aan BPS in te dijken is de omvang van de schade, waarbij geen kwantitatieve maar wel een kwalitatieve toetsing gehanteerd moet worden, overeenkomstig het ‘significant disadvantage’ uit het 14de protocol bij het EVRM. Om het extreem te stellen kan een sukkelaar van wie de fiets wordt gestolen immers meer nadeel ondervinden dan een multimiljonair wiens Porsche wordt vernield.

JORIS VERCRAEYE: “Ik heb op zich geen enkel probleem met een toetsing, maar dan niet door het OM want dat is haar rol niet. Wel door een zittend magistraat die men dan moet overtuigen van de schijnbare rechtmatigheid van de klacht. Kijk: wanneer ik een klacht opstel, zal ik dat vanuit mijn beroepseer ook ernstig doen. Ik wil best controle laten uitoefenen op alle verzoeken die ik indien. Maar laten we realistisch blijven: praktisch ligt zoiets moeilijk, want dan gaat het om een marginale toetsing waarbij het belang van de klager wordt bekeken nog vòòr er enig onderzoek gebeurt. Plus: hoe lang gaat dat dan duren?”

RAF VERSTRAETEN : “Ik heb daarom een denkoefening gedaan over enkele mogelijke filters. Want wat Mr. Vercraeye signaleert, klopt: de praktische hantering ervan is erg moeilijk als je manieren zoekt om enerzijds de BPS te behouden en anderzijds die te moduleren.” “Ik heb een vijftal criteria gevonden, en helaas is geen enkel ideaal. Je zou de zwaarwichtigheid van de feiten kunnen toetsen, en de omvang van de schade. Je zou een BPS kunnen uitsluiten wanneer de verdachte zijn burgerlijke aansprakelijkheid heeft erkend en ook wanneer het duidelijk is dat de feiten die de klager aanbrengt manifest niet werden gepleegd. Tot slot kan er ook worden nagedacht over een rem in de tijd: wie echt een slachtoffer is, aarzelt niet met een BPS, terwijl de misbruiken zich vaak voordoen als reeds geruime tijd sinds de feiten verstreken is, bijv. om een burgerlijke procedure te verlammen.”

JACQUES POPPE: “Een belangrijke filter zou alleszins een onmiddellijke controle tot ontvankelijkheid kunnen zijn. Daarin zie ik eventueel een rol voor de onderzoeksrechter, die toch ook rechter is, wat velen uit het oog verliezen. Dat we daarbij gecontroleerd zouden worden, vind ik logisch – we staan nu ook onder rechtstreeks toezicht van de KI.”

RAF VERSTRAETEN : “De wetgever zorgt voor steeds meer middelen en mogelijkheden voor slachtoffers (bijv. art. 61ter en 61quinquies SV). Op zich lovenswaardig, maar men verbindt geen enkele controle op hun hoedanigheid of belang terwijl het ook zo is dat er partijen zijn die beweren slachtoffer te zijn en misbruik maken van hun initiatiefrecht.”

ANNEMIE SERLIPPENS: “Ik pleit voor dit scenario: dat mensen die een klacht met BPS willen neerleggen eerst klacht bij de politie moeten indienen, waarop het OM onderzoekt en de klager minstens moet afwachten wat het OM doet. Heel veel zaken kunnen volgens mij op ons niveau worden afgehandeld zonder dat de onderzoeksrechter zich met banaliteiten moet bezighouden.”

JORIS VERCRAEYE: “In de ideale wereld zou ik u onmiddellijk gelijk geven. In de praktijk – en nu spreek ik ten persoonlijken titel – is het zo dat wanneer je een klacht indient bij het OM, je enorm veel tijd zou verliezen in het door u beschreven scenario. Misschien niet in Gent, maar toch.”

JACQUES POPPE: “Iedereen is overtuigd van zijn eigen ‘redelijkheid’ en rechten. En je ziet daarin de laatste jaren een sterke evolutie: mensen komen meer dan ooit op voor hun rechten. Ik hoor mevrouw Serlippens graag zeggen dat er eerst een klacht bij de politie moet worden ingediend, maar ik maak wekelijks mee dat mensen – ook zonder advocaat – rechtstreeks naar mijn kabinet komen omdat de politie hen zegt dat dat voor hen sneller en beter zal zijn.”

ANNEMIE SERLIPPENS: “Maar neem het geval van de Porsche en de fiets. We zijn het er toch over eens dat dat niet thuishoort in een klacht met BPS?”

JORIS VERCRAEYE: “Akkoord: indien voor mij als slachtoffer de schade al is vergoed, heb ik er niet veel belang bij nog een klacht in te dienen. Maar principieel vind ik dat BPS in het voorbeeld van de Porsche en de fiets wél moet kunnen. Als de wetgever stelt dat een bepaalde gedraging strafbaar is, en ik als individu vind dat ik geschaad ben en wens dat er wordt vervolgd, dan moet ik het recht hebben om die ene persoon die ik er uitpik ter verantwoording te roepen. Wars van het beleid van de minister, het parket-generaal, of van wie dan ook.”

ANNEMIE SERLIPPENS: “Dat is wraak.”

JORIS VERCRAEYE: “Helemaal niet: ik gebruik het systeem om genoegdoening te bekomen via de rechter wanneer ik dat in mijn belang vind. Ik vergelijk met civiele zaken, waarbij art. 29 BW ‘Een beschermenswaardig en rechtmatig belang’ toch ad rem doorgelicht beroep het criterium is? Toegegeven: de ‘redelijkheid’ blijft een moeilijke, want hoe trek je daarin een consistente lijn?”

CONCLUSIE THEMA 2

Het panel ziet geen eenduidige oplossing om de overvloed in te perken. Het is duidelijk dat tussen droom en daad (vele) wetten en praktische bezwaren in de weg staan. En niet in het minst blijft de onduidelijkheid hoe ‘significant damage’ dan wel gewogen moet worden. Raf Verstraeten: “Indien je de stap wil zetten naar een rechterlijke toetsing van dat hele pakket BPS, moet volgens mij die filtering alleszins niet gebeuren volgens de criteria van opportuniteit die het parket hanteert. Een parket kan dan wel een – overigens terechte – visie over wat wel en niet wordt vervolgd ontwikkelen, maar die stemt niet per se overeen met de wijze waarop een rechterlijke instantie oordeelt wat al dan niet behandeld moet worden. Wat termijnen betreft: je zou kunnen afspreken dat als er binnen de 3 maanden geen reactie van het OM is, men dan pas een klacht met BPS mag indienen.”

THEMA 3

EFFICIËNTIE A LA HOLLANDAISE STELLING : In Nederland is het vervolgingsmonopolie in handen van het openbaar ministerie. Een slachtoffer kan de strafvordering zelf niet initiëren, maar kan zich met zijn burgerlijke vordering alleen maar voegen bij een reeds bestaande strafvordering. Een helder systeem dat efficiëntie garandeert.

JACQUES POPPE: “In Nederland zou ik niet graag slachtoffer zijn. In het Nederlandse model heeft een officier van justitie alles in handen en vraagt men de rechter-commissaris gewoon een aantal dwangmaatregelen uit te voeren. De rol van die laatste is echter totaal verschillend met die van een onderzoeksrechter. Bij de Nederlanders is de hamvraag of er capaciteit is of niet, terwijl recht er voor iedereen moet zijn. In Nederland wordt er vooral gevolg gegeven aan de uitvoering van een politiek beleid. Daar sta ik totaal weigerachtig tegenover.”

JORIS VERCRAEYE: “Ook ik ben bang voor monopolies, want dan kom je inderdaad op een punt waar de politiek komt meespelen.”

RAF VERSTRAETEN : “Ik heb het er onlangs met een Nederlandse collega over gehad. De idee dat een burger autonoom een strafprocedure kan opstarten, stoort hen mateloos. Strafrecht is altijd geconcipieerd als een zaak tussen de staat en de verdachte. De staat moet in beginsel de overweging maken of er bestraffing nodig is, niet het slachtoffer. Dat is zijn taak niet. We moeten terug naar de fundamentele vraag: moet elke burger zo veel macht krijgen dat hij een medeburger strafrechtelijk mag proberen te vervolgen? Het antwoord op die kwestie zal meer dan 5 minuten politieke moed vragen.” “Nu, noch in Nederland noch in Duitsland is er sprake van een echt monopolie. Bij seponering kan je je beklagen bij een rechterlijke instantie, en het is de rechter die toetst of het de moeite waard is om je zaak te laten onderzoeken. Dat is in onze traditie uiteraard moeilijk in te passen. Maar moet je die stap niet durven te zetten? In veel landen werkt men met een systeem waarbij rechters controleren of een zaak al dan niet wordt vervolgd en bijv. in de Angelsaksische landen of er beroep mogelijk is. Dat wordt telkens apart beoordeeld, dat is geen automatisme.”

ANNEMIE SERLIPPENS: “Ik denk dat het Nederlandse systeem goed functioneert in die zin dat de officiers van justitie daar perfect voor zijn uitgerust. Ze hebben meer middelen en medewerkers die, hoewel hoog opgeleid, geen magistraat zijn waardoor de officieren veel meer tijd in de essentie van hun onderzoek kunnen steken. Ik denk dat wij als parketmagistraten die onderzoeken evenzeer kunnen uitvoeren, gesteld dat we bijv. een griffier krijgen die het praktische werk voor ons doet. Vandaag typen we elk kantschrift zelf uit hé; justitie heeft in Nederland een veel comfortabelere positie.” “En ik kan u verzekeren dat wij als parket niet alleen à charge zaken onderzoeken. We worden heel vaak zwart gemaakt door advocaten, onderzoeksrechter Poppe huivert van het idee om, zoals in het Nederlands systeem, alle macht bij het parket te leggen, maar wij onderzoeken ook à décharge. Ten gronde gaat het hier inderdaad ook over een strafrechtssysteem, en is het niet de bedoeling dat we louter burgerrechtelijke aspecten gaan onderzoeken omdat dat nu eenmaal de goedkoopste manier is voor de burger om zijn klacht onderzocht te krijgen.”

CONCLUSIE THEMA 3:

“Hou het Nederlandse systeem in Nederland”, zegt Joris Vercraeye. Annemie Serlippens ziet wel mogelijkheden. Raf Verstraeten: “Het is een moeilijke kwestie in ons bestel. Je hebt heel veel seponeringsbeslissingen, en wanneer je toetsing daarvan toelaat, kan je die niet intern aan het parket overlaten. Die toetsing moet door een onafhankelijke rechter gebeuren die nadien uiteraard buiten de zaak blijft. Maar welke rechter zou dat zijn en hoe vermijd je distorsie tussen alle arrondissementen? Ik vind de meest logische oplossing dat je een paar rechters van de KI die taak toevertrouwt, omdat je dan minstens een gemeenschappelijke visie per rechtsgebied krijgt.” Jacques Poppe tot slot: “In die denkoefening moet een raadsheer een opportuniteitsbeslissing nemen. Niet zo eenvoudig: een rechter moet de wet toepassen. Rekening houdend met billijkheid enz., maar het opportuniteitsprobleem blijft.” Raf Verstraeten: “Daarom haalde ik de criteria aan: om te vermijden dat de controle puur over opportuniteit zou gaan.”

THEMA 4

EEN VOLLEDIGE SPLITSING STELLING : Wanneer we niet enkel kijken naar de inwerkingstelling van de strafprocedure door de burgerlijke partij, maar naar het geheel van onze strafprocedures waarbij de strafrechter ook oordeelt over de burgerlijke vordering die ‘tussenkomt’ in de strafvordering, zorgt het Belgische systeem hoe dan ook voor vertraging van de strafprocedure. Een totale splitsing zou beter zijn: strafvordering voor de strafrechter, burgerlijke vordering voor de burgerlijke rechter. Op die manier komt er meer tijd vrij voor de parketten en strafrechtbanken, en zijn er wellicht minder maatregelen zo als minnelijke schikkingen nodig om die te ontlasten.

ANNEMIE SERLIPPENS: “Je moet het geheel absoluut vanuit een strafeconomische visie bekijken. Ik vind dat niet per definitie elke vorm van schade door de strafrechter beoordeeld moet worden of moet leiden tot een gerechtelijk onderzoek. Dat de burger voor het minste genoegdoening voor de strafrechter moet kunnen krijgen, vind ik fout. Nogmaals: puur burgerrechtelijke zaken zouden we toch weg moeten houden uit het strafsysteem? Laat het parket daarin zijn rol spelen. En het is heus niet zo dat wij zomaar alles seponeren. In heel veel zaken en zeker in zaken waar een slachtoffer nadeel heeft, zullen we er alles aan doen opdat dat slachtoffer wordt vergoed.”

JACQUES POPPE: “Maar ook een sepot-beslissing is een beslissing van een mens. We stellen vast dat geseponeerde strafdossiers heel vaak leiden tot een klacht met BPS. Waarmee ik niet zeg dat die seponering fout was, maar vaststel dat mensen er zich niet bij neerleggen. In dat kader: er werd nog niet gesproken over het systeem van rechtstreekse dagvaarding.”

RAF VERSTRAETEN : “Dat middel is nog veel scherper. Maar het wordt weinig gebruikt in een geseponeerd strafdossier omdat er doorgaans onvoldoende bewijsmiddelen zijn.”

JORIS VERCRAEYE: “We spraken al over de controle in de beginfase, maar laten we ook kijken naar de mogelijkheid om nu al te doen wat wettelijk mogelijk is. Wie misbruik maakt van het systeem kan worden veroordeeld tot een schadevergoeding aan de persoon die hij ten onrechte voor de rechtbank bracht.

Die controle achteraf zal de input niet verminderen, maar als je dat heel consequent en radicaal doorvoert, kan dat preventief werken. Want dan zal de advocaat de cliënt toch wel moeten inlichten over het risico dat hij aan het einde van de rit een hele grote rekening gepresenteerd kan krijgen. Ik kan u verzekeren: een groot aantal procedures wordt niet meer gevoerd omdat de kosten gevoelig zijn gestegen. Ik spreek misschien tegen mijn eigen winkel, maar dat zou zuiverend kunnen werken.”

RAF VERSTRAETEN : “Meneer de onderzoeksrechter, mochten er minder BPS zijn, zou dat de manier waarop u andere zaken behartigt veranderen? Zou u meer tijd hebben voor zware criminaliteit? Ook hier een fundamentele bedenking: het slachtoffer heeft het recht om gehoord te worden door een onderzoeksrechter. Een verdachte ziet in veel gevallen de rechter nooit. Dat choqueert mij. Ik begrijp heel goed dat dat met de huidige werklast onhaalbaar is, maar zou u met minder dossiers met BPS meer daders kunnen zien?”

JACQUES POPPE: “Ik lees in uw toespraak graag dat de onderzoeksrechter werd geconcipieerd als het zenuwcentrum van het gerechtelijk onderzoek. Nu al zouden we meer huiszoekingen zelf moeten doen, maar in de praktijk is dat onmogelijk – we zouden de hele dag op pad zijn. Het zou ons inderdaad meer kans geven om mensen persoonlijk te zien. We zouden ons meer kunnen bezighouden met onze core business.”

CONCLUSIE THEMA 4:

Joris Vercraeye: “Ik ben voor de zaken zoals ze nu zijn. Er zijn voldoende mogelijkheden bij alle actoren om tot een verbetering te komen indien dat nodig is. Gebruik de regels die je hebt en stop met er altijd bij te maken. Dàt zou efficiëntiewinst betekenen.” Ook Raf Verstraeten maakt zich zorgen over de regeldrift en noteert slechts een zeldzaam lichtpunt waarbij recht voor iedereen en efficiëntie elkaar ontmoeten: de burgerlijke afhandelingskamers die, zodra de zaak op strafgebied is behandeld, het schadevergoedingsgegeven finaliseren. Ook Annemie Serlippens vindt dat een goed voorbeeld van ‘strafeconomisch’ denken. Jacques Poppe klinkt instemmend wanneer Raf Verstraeten in een breder kader besluit dat de wetgever het strafsysteem wel grondig wil hervormen, maar de politiek tot hiertoe de open geest en moed mist om daarbij ook het systeem van de BPS helemaal in ogenschouw te nemen. “Dus niet alleen langs de kant van misbruik door de verdediging, niet alleen ingegeven door de publieke opinie, maar ook langs de kant van het misbruik door slachtoffers bij de BPS.”

Jan-Pieter MATEUSEN

 

http://open.barreaudeliege.be/2014/03/24/is-de-burgerlijke-partijstelling-onhoudbaar/